Een code bij elke plek, een verhaal erachter, en verder niets om te installeren of uit te delen. Hieronder hoe je er een opzet — en de fouten die je daarbij kunt overslaan.
Een QR-tour is een reeks plekken met bij elke plek een code. Iemand scant die code met de camera van z’n telefoon en krijgt het verhaal dat jij daarbij hebt gezet: tekst, een foto, een filmpje, een opname of een vraag. Daarna loopt hij door naar de volgende.
Het aantrekkelijke eraan is wat er níét bij komt kijken: geen app om te installeren, geen apparatuur om uit te delen, en geen bordjes die je moet laten drukken zodra er iets verandert.
Bepaal eerst je route en het aantal stops. Vier tot acht werkt meestal het prettigst; daarboven haakt een deel van de mensen af.
Vul per stop de inhoud in. Hou het kort — een half schermpje leest iemand staand nog wel, een hele pagina niet.
Print de codes en hang ze op. Een gewoon vel papier in een plastic hoesje doet het prima; je hoeft pas in duurzaam materiaal te investeren als de tour blijft staan.
Loop hem zelf één keer helemaal af. Dat klinkt flauw, maar het is de stap waarin je merkt dat een code in de zon onleesbaar is of dat stop drie logischer na vier komt.
Een code werkt goed als er iets tastbaars is om hem op te plakken. Is dat er niet, dan kun je een stap ook laten opengaan op basis van locatie, met een pincode die je zelf uitdeelt, op een tijdstip, of gewoon door erop te tikken.
In de praktijk combineer je ze: QR bij de objecten binnen, locatie voor de plekken buiten waar niets hangt.
Codes te laag ophangen, zodat mensen moeten bukken. Codes achter glas, waar de reflectie het scannen tegenwerkt. En te veel tekst per stop, waardoor mensen halverwege stoppen met lezen.
Een QR-code hoeft trouwens niet groot te zijn: een vierkant van vijf centimeter scant prima op armlengte.
Zet je stops klaar, print de codes en hang ze op. In jouw huisstijl, in elke taal.